Background Image

Geschiedenis van de begra...

Een deel lag te laag en had last van de hoge grondwaterstand. Zijne Majesteit werd gevraagd goedkeuring te verlenen voor het aangaan van een lening van vijftienhonderd gulden. Dat geld was nodig om de “mageren akker” van notaris Willem Seydlitz gelegen buiten de Bagijnepoort aan de weg naar Graauw aan te kopen. Ook Pieter van Endthoven was bereid gevonden een stuk grond, gelegen tussen het perceel van Seydlitz en de openbare weg, te verkopen. Door deze aankopen kon op dit hooggelegen terrein een nieuwe begraafplaats met brede toegangsweg worden gerealiseerd. De kosten werden geraamd op zeker fl. 2.200,-. De heer Seydlitz was bereid dat bedrag aan de gemeente te lenen tegen 4% rente per jaar. De benodigde toestemmingen werden afgegeven, de aankopen werden gedaan en de nieuwe begraafplaats werd ingebruikgenomen, per 1 januari 1870 (!).

Waarom dit oponthoud van dertien jaar? Omdat Zijne Majesteit weigerde te beslissen op het voornemen van de gemeenteraad over te gaan tot het heffen van begrafenisrechten. Die beslissing werd telkens verdaagd omdat er een nieuwe wet op de begraafplaatsen in de maak was waarin ook bepalingen over de te heffen tarieven zouden worden opgenomen. Die wet kwam er uiteindelijk maar toen was het al 10 april 1869. Het gemeentebestuur had ondertussen van de nood een deugd gemaakt en de waterafvoer van de bestaande begraafplaats verbeterd en geld uitgetrokken voor de begrinding van de weg tussen de Bagijnepoort en de geplande nieuwe begraafplaats. Na afkondiging van de nieuwe wet in het Staatsblad kon het daarom snel gaan. Al in de raadsvergadering van 7 december 1869 werden de verordeningen op het begraven van lijken en op het heffen en invorderen van begrafenisrechten vastgesteld evenals de instructie voor de grafdelvers. De begraafplaats zou “open” zijn. Dat wil zeggen dat er geen onderscheid werd gemaakt naar “klasse” maar slechts naar gezindte. Er kwamen drie hoofdafdelingen: een afdeling voor lijken van roomskatholieken, een voor hervormden en een voor de andere gezindten. De afdelingen zouden met behulp van heggen behoorlijk van elkaar worden afgescheiden. Uiteraard moesten er begraafrechten en -lonen worden betaald. Het duurste graf was een voor onbepaalde tijd uitgegeven graf, groot 6 m2, dat mocht worden bemetseld en gedekt met een gedenkteken. Kosten inclusief loon van de grafdelver: fl. 132,-. In de door de raad vastgestelde verordening moesten op last van Gedeputeerde Staten de woorden “begraving op iedere werkdag” worden vervangen door “begraving op elken dag”. Van de begraafplaats aan de Tivoliweg werd slechts één lijk overgebracht naar de nieuwe begraafplaats en wel dat van notaris Willem Seydlitz op 22 maart 1872.

Voor toekomstige uitbreiding van de begraafplaats werd in het jaar 1903 een naastgelegen perceel aangekocht. Een deel daarvan werd vier jaar later daadwerkelijk bestemd voor uitbreiding van het roomskatholieke gedeelte. Ruim vijftig jaar later werd er door het gemeentebestuur al nagedacht over de toekomst van deze begraafplaats aan de Zoutestraat. Er waren ruim zeshonderd graven beschikbaar en mits die regelmatig werden geruimd zou de begraafpaats zeker nog twintig jaar kunnen worden gebruikt. In de nieuwe verordening bleven de vier afdelingen bestaan, maar de termijen werden gewijzigd: 50 jaar met grafkelder; 50 jaar zonder grafkelder; 25 jaar zonder grafkelder en tenslotte 10 jaar voor kinderen overleden beneden de leeftijd van één jaar. Vijfentwintig jaar was dus het minimale grafrecht voor lijken van personen boven de één jaar. Dit omdat “ieder mens, ongeacht maatschappelijke positie” naar de mening van de raadsleden recht had op een graf dat niet al na verloop van tien jaren kon worden geruimd. In de voorbije jaren was gebleken dat die termijn tot veel onrust leidde bij de nabestaanden, zo werd geconstateerd. Voortaan zouden in elke grafruimte, met een lengte van 2.30m en een breedte van 1m, twee lijken boven elkaar worden begraven. Bij elk graf zou een door de gemeente te verstrekken paaltje of ander kenteken worden geplaatst. Geen vergunning zou worden verleend voor gietijzeren en geëmailleerd grafwerk, ijzeren hekken hoger dan veertig en palen hoger dan vijftig centimeter én steenhouwwerk met een inscriptie van ingebeitelde letters of onderdelen daarvan die minder dan drie millimeter waren ingehakt. De openstelling van de begraafplaats was ook regelmatig punt van bespreking in de gemeenteraad. In het jaar 1968 werd bepaald dat de begraafplaats op de 1e en 3e zondag van iedere maand zou worden opengesteld van 15:00 tot 16:00 uur en op 1 en 2 november van 10:00-12:00 en !3:00-17:00 uur. Per 1 juli 1973 werd het onderhoud van de graven uitbesteed aan de Sociale Werkplaats. De gemeentelijke werkzaamheden zouden zich voortaan beperken tot grafdelven, grasmaaien en onkruid bestrijden.

Op 23 februari 1984 ging de gemeenteraad akkoord met de aanleg van een begraafplaats aan de Van der Maelstedeweg. Hier zou geen onderscheid meer worden gemaakt naar kerkelijke gezindte en zouden ook algemene graven worden uitgegeven waarin ook twee niet-verwante personen zouden kunnen worden begraven. In de verordening op het beheer, die een jaar later werd vastgesteld, werd echter bepaald dat er drie hoofdafdelingen zouden zijn: één voor lijken van rooms-katholieken, één voor hervormden en één voor de overige gezindten. In dat opzicht bleef alles bij het oude.

Hulst, 28 november 2016
Antoine Prinsen
Gemeentearchivaris.