Background Image

Het 'Dijkennummer' van Ze...

 

 8 juni 2021 Tijdschrift Zeeland, nieuwste aflevering

De nieuwe aflevering van ons tijdschrift Zeeland komt er aan!
Een extra dik nummer: acht pagina’s meer dan gebruikelijk. Zoveel leuke dingen die gepland waren voor de leden van het Zeeuwsch Genootschap konden geen doorgang vinden. Het vorige nummer van Zeeland was vier pagina’s dikker, dit nummer acht pagina’s. Zo is er in deze barre tijden toch wat extra’s voor de leden.

'Dijkennummer'
Als er iets typisch Nederlands is, zijn dat wel dijken. Hoeveel kilometer dijk zou ons land hebben? En hoeveel kilometer dijk zou er om allerlei redenen verdwenen zijn? Natuurlijk zijn dijken belangrijke waterstaatkundige kunstwerken, maar het zijn ook door mensen gemaakte cultuurhistorische objecten. En dijken herbergen ook bijzondere planten en dieren. Het nieuwe nummer van Zeeland is een soort ‘dijkennummer’. Vier artikelen over dijken in Zeeland en ook een schat, ditmaal niet geschreven door een van onze conservatoren maar door een medewerker van Naturalis, ook dijkgerelateerd. 

Afbeelding: Reconstructie verdwenen dijken onder de
Willem-Annapolder ten zuiden van Eversdijk.
Bron: B. Chamuleau.

Een digitale dijkenkaart
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is in 2016 een landelijk project gestart om alle dijken in ons land in kaart te brengen. In Zeeland heeft de provincie gevraagd aan Erfgoed Zeeland (vroeger SCEZ) om deze taak op te pakken, samen met de AWN (Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie). Uiteraard is dat in deze moderne tijden een digitale dijkenkaart van Zeeland geworden, waarin 3382 kilometer dijk opgenomen is. Ook de afgegraven dijken of verloren gegane dijken (na overstromingen en landverlies) zijn opgenomen. Ook heel veel min of meer tijdelijke dijkjes, die nodig waren bij de winning van het veen. Een kolossaal project.  
Bas Chamuleau schrijft er over in het eerste artikel. Er zijn in deze digitale dijkenkaart ook veel historische gegevens opgenomen. Dijken moesten herhaaldelijk verhoogd worden; in de doorsnede van zo’n dijk zijn die ophooglagen goed te zien. Dijken verdwenen door landverlies, maar op andere plaatsen was er veel aanslibbing, waardoor er weer land gewonnen werd en er, afhankelijk van de snelheid van aanslibbing (daar is een grafiek over opgenomen) weer nieuwe dijken opgeworpen werden. Dijken moeten natuurlijk voor hun taak berekend zijn en dus is er in het artikel ook informatie opgenomen over gebruikte glooiingsmateriaal, van stro tot steen. Voor wie niet kan wachten tot het tijdschrift in de bus valt, de website van de digitale dijkenkaart is hier te vinden: https://intgwbp.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=CultuurHistorie en dan kiezen voor historisch landschap en dijken.

Veendijken
Het tweede dijkenartikel gaat over veendijken, meer nauwkeurig veenplaggendijken. In de Middeleeuwen werd er in Zeeland veel turf gewonnen. Dat gebeurde vaak op plaatsen waar nog enige getij-invloed aanwezig was. Uit beschikbaar materiaal, veenplaggen, werden lage dijkjes gemaakt (moerdijken) om de turfwinningsplaatsen tegen eventueel buitenwater te beschermen. Marc Buise gaat in zijn artikel in op de teruggevonden moerdijken in het oosten van Zeeuws-Vlaanderen, langs de Schelde. Nadat de turf gewonnen was, werden de moerdijken vaak aan hun lot overgelaten, maar soms werden ze uitgebouwd tot gewone dijken. Hij bespreekt de opbouw van deze dijken en relateert deze moerdijken met gebruikmaking van historisch kaartmateriaal aan latere en soms nog aanwezige dijken. Met een slag om de arm, want er is eigenlijk meer onderzoek nodig om definitieve conclusies te kunnen trekken.

Afbeelding: Doorgraving in de
veendijk B in 2011 (foto auteur).

Herpoldering 
Op een kaart kan zo aangegeven worden waar ergens een nieuwe dijk moet komen. Er wordt een bestek geschreven, er wordt een begroting opgesteld, de overheid stelt geld ter beschikking, aannemers kunnen inschrijven en diegene die de opdracht krijgt, kan aan de slag. Maar, hoe deden ze dat nu 600 jaar geleden?  Om te beginnen was alles handwerk en er waren dus heel veel mensen nodig. En hoe werd alles georganiseerd? Adrie de Kraker beschrijft in zijn artikel hoe in de vijftiende eeuw in Oost-Zeeuws-Vlaanderen een inpoldering plaats vond, of eigenlijk, een herpoldering. Er was vier kilometer nieuwe zeedijk nodig en aan de hand van de beschikbare financiële gegevens reconstrueert hij hoe het werk tot stand kwam. Hij geeft een lijst van de betrokken leidinggevenden: hoofdcommissarissen, ontvangers, klerken, uitvoerders, moerknapen en landmeters. Uit hun onkostenstaten blijkt hoe intensief ze bij het werk betrokken waren en hoeveel tijd ze aan zo’n dijkproject besteedden. 
Het project werd opgedeeld in acht kavels en die kavels werden door groepen aannemers aangenomen. Nu, dat geeft bij de uitvoering natuurlijk genoeg reden voor overleg, want alleen al het benodigde geld beschikbaar krijgen gaf voortdurend zorgen. Hoe het in de praktijk verder ging kunt u in het artikel lezen.

Afbeelding: Zegel van Hector van Vuerhoute
onder een acquit van  1 juli 1439 (ARAB AdL, doos 52A).

Bloemdijken
Al die Zeeuwse dijken waren natuurlijk waterstaatkundige werken, met waterkering als hoofdfunctie. Dat speelde minder bij de binnendijken en die kregen een toegevoegde landbouwkundige waarde. Ze werden begraasd en ze leverden hooi. Via de mest kregen de akkers van wat meer voedingsstoffen. Door het onttrekken van die voedingsstoffen aan de dijken, werden deze steeds schraler en daardoor kregen ze, onbedoeld, een steeds rijkere vegetatie. Niet in biomassa maar in soortenaantallen. De fraaiste dijken kregen de naam van ‘bloemdijken’.


Afbeelding: Een bloemrijk netwerk van dijken en bermen in het
gehele Zeeuwse polderland moet de gezamenlijke
ambitie zijn van alle betrokkenen bij het landelijk gebied.
(foto Anton van Haperen)

Anton van Haperen beschrijft in zijn artikel de soortensamenstelling van die dijken. Helaas hebben de Zeeuwse bloemdijken tegenwoordig nog maar weinig bloemen. De kunstmest zorgt tegenwoordig voor de extra voedingsstoffen voor de akkers; beweiding en hooien van de dijken is lastig en duur en niet meer nodig voor de agrarische bedrijfsvoering. Hooi dat van de dijken afkomt wordt eerder gezien als chemisch afval dan als veevoer. Er wordt dus maar geklepeld in plaats van gehooid, waardoor op de dijken een dikke strooisellaag ontstaat waar maar weinig plantensoorten doorheen kunnen groeien. Atmosferische stikstofverbindingen verrijken de bodem van de dijken ook nog eens en daardoor neemt de biodiversiteit af. Als de vroegere bloemdijken weer bloemdijken zouden moeten worden, zijn beheersmaatregelen nodig en dat kost geld. Beweiding is een goede maatregel, hooien en de hooi afvoeren ook. Akkerrandenbeheer is steeds gebruikelijker in Zeeland, bermbeheer begint ook van de grond te komen en met een goed dijkenbeheer zullen ook daar veel bloemen groeien en dat is weer goed voor allerlei soorten insecten.


Schat: Oliekevers
In de Schat beschrijft Linde Slikboer, werkzaam bij European Invertebrate Survey van Naturalis, enkele oude oliekevers uit de collectie van het Genootschap, 100 jaar geleden verzameld door de toenmalige conservator voor de naturalia, Dr. J.C. de Man, bij zijn woonplaaats Yerseke. Het betreft bonte oliekevers, die al lang uit Nederland verdwenen zijn. Het verhaal sluit aan bij dat van Anton van Haperen: bloemdijken zijn belangrijk voor de biodiversiteit. Als er veel bloemen zijn, zijn er ook veel insecten, bijvoorbeeld allerlei soorten solitaire bijen die een nestje in de grond graven en daar hun eieren leggen. De larven van oliekevers liften met deze graafbijen mee naar het nest en ontwikkelen zich ten koste van de eieren en de larven van de bijen. Zo’n systeem kan alleen maar in stand blijven als er een vrij open vegetatie aanwezig is, met veel bloemen vroeg in het voorjaar en met ongeroerde grond. Dus, op dijken. Ze schenkt ook nog wat aandacht aan A.J.F. Fokker, burgemeester van Zierikzee aan het eind van de 19e begin van de 20e eeuw. Hij had vele kwaliteiten en was ook enthousiast amateur-entomoloog. Hij verzamelde bij Zierikzee maar liefst twaalf van die bonte oliekevers!
 

Afbeelding: De gewone oliekever
Meloe proscarabeus (foto Niels Godijn)

Hans Warren
In het artikel over de schelpenverzameling van Hans Warren in het vorige nummer van Zeeland bleef één vraag onbeantwoord. Wie was die man uit Den Haag die in de zomer van 1939 Hans Warren aanzette tot het aanleggen van een schelpenverzameling? Hans Warren wist het zelf niet, schreef hij in zijn dagboek. Gerard Heerebout speurde de man op.
 

Afbeelding: Pirgos alveolatus uit de Westerschelde,
foto Ronald Pouwer, collectie Naturalis.

Boekbesprekingen
Het tijdschrift sluit af met enkele boekbesprekingen. De Leidse hoogleraar Anita van Dissel bespreekt het leuke boekje van Johan Francke, ‘Seneca, die was trouwhertige’ uitgegeven door de ZB met een aantal ‘sailing letters’; papieren aangetroffen op door Engelse schepen in beslag genomen Nederlandse schepen in de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). 
Paul Brusse, als onderzoeker verbonden aan de Universiteit Utrecht, bespreekt de uitgebreide biografie: Jacob Henrik Schorer (1760-1822), een Zeeuwse bestuurder in crisistijd, een uitgave van ons Genootschap. Het viel niet mee voor hem in die tijd: bestuurder in de Republiek, in de dynamische Franse tijd en in het Koninkrijk. Zoveel verschillende bestuurlijke systemen in een periode van grote teruggang. 
Paul Rijnders, klinisch psycholoog en vroeger werkzaam bij Emergis, bespreekt het boek van Rinus Spruit: De wonderdokter, Albert Willem van Renterghem. Deze Goese arts was feitelijk degene die, na zijn verhuizing naar Amsterdam, de psychotherapie in ons land introduceerde. Psychisch lijden was een complex ziektebeeld en dat leidde uiteindelijk tot betere zorg voor deze patiënten.